1 juli 1891 – Sail Amsterdam avant la lettre

“Die dag in de zomervakantie, toen ze de keizer hebben zien varen door het kanaal”

Fragment uit Het huisje aan de sloot


In 1921 verscheen de roman Het huisje aan de sloot van Carry van Bruggen. Hoofdpersoon is een naamloos Joods meisje dat woont in een naamloos stadje, een stadje vanwaaruit je met de boot naar ‘de stad’ gaat. Ook wordt nergens een jaartal genoemd, maar duidelijk is wel dat de verhalen zich afspelen aan het eind van de 19e eeuw. Het huisje aan de sloot was een succes: het werd destijds veelgelezen en de schrijfster ontving de Haagsche Post-prijs van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde voor het boek.

Het huisje aan de sloot is sterk autobiografisch: het bestaat uit gefictionaliseerde jeugdherinneringen van Carolina Lea de Haan (1881-1932), de echte naam van Carry van Bruggen. ‘Het huisje aan de sloot’ is het huis waar de familie De Haan omstreeks 1890 woonde, een groen, houten huis in Zaandam, op het adres Dampad 33.¹ Het was een joods-orthodox gezin. Vader Izak de Haan was rebbe (godsdienstonderwijzer), gazan (voorzanger) en sjocheet (ritueel slachter) van de kille (joodse gemeenschap) van Zaandam.

Een prominente plaats is weggelegd voor een broer van het meisje. Die broer, dat broertje, was de latere dichter-schrijver-jurist Jacob Israël de Haan (1881-1924). Jacob (Jaap, of Joop voor intimi) was net als Carolina geboren in 1881; zij op 1 januari, hij op 31 december.

Het boek bestaat uit 24 op zichzelf staande hoofdstukken, schetsen. In het hoofdstuk ‘Hooi voor warme voeten’ loopt het meisje met haar vader en haar broertje – net als vele, vele anderen – op een zonovergoten zomerse dag naar het kanaal, in de hoop een glimp op te vangen van ‘den Keizer’, die voorbij zal varen op een oorlogsschip.


Op een vreeselijk heeten dag in de zomervacantie zijn ze met Vader naar het Kanaal gewandeld, om de schepen te zien, die uit de zee kwamen en naar de groote stad voeren, hun stadje op een afstand voorbij, met den Keizer er op en met de hooge Generaals en de voorname Staatslieden er op! Het was een van die dagen, wel tien, wel veertien achtereen, dat je zóó vroeg niet op kon staan, of de hitte was je al voor, en zoo laat niet naar bed kon gaan, of de hitte bleef nog langer op. ’s Morgens was het al zoo melkachtig aan den horizon en dan wist je het wel, dan werd het weer zoo’n kleverige dag.
  Op zulke dagen zie je boven den polder de lucht van de hitte trillen, alles hangt slap en loom… Om beneden tegen den dijk of onder een boom te liggen, waar nog niet is gemaaid en waar het gras met wat erin bloeit zoo heerlijk ruikt –, anders dan gewone, frissche bloemengeur, kaneel-achtig zoet en slaperig-makend – daarvoor is zoo’n dag wel goed, maar moet je in die hitte loopen, dan gloeit je gezicht en je voeten worden geroosterd. En dien dag hadden ze een heel stuk te loopen, de haven langs en verder nog, de bocht voorbij en tot aan het kanaal en daar zouden ze met Vader op den kant mogen zitten en de groote oorlogschepen voorbij zien komen met den Keizer en de hooge officieren en de voorname staatslieden. De Keizer vaart op een groot, grijs schip en hij zal boven-op staan en misschien zullen zij hem zien, maar in elk geval zullen ze zijn oorlogschip zien.
  Van het opstaan af hebben ze eraan gedacht, bij het wakker worden het dadelijk gevoeld: vandaag gebeurt er wat, vandaag is er iets bijzonders. Vaak word je wakker met dat gevoel en als je dan je bezint en merkt dat het niet zoo heel bijzonder is, dan lijkt het of er iets kouds op je valt, maar ditmaal niet…
  Ze gaan naar het Kanaal met Vader en den Keizer zullen ze zien op een hoog, groot oorlogschip en de schepen zullen langzaam varen.
  Ze zijn gegaan. Rijtuigen zijn ze achter-op gereden en mannen met kersen duwden hun karren voor ze uit, roodgloeiend lagen de kersen in de wijde manden naar de blauwe hemel op te zien en elke kers had midden-op een fellen, zilveren spik [vlekje]. Ze hebben ook een nieuwerwetsche filosiepee [vélocipède, fiets] gezien, met de twee wielen even hoog, de gewone hebben één heel hoog wiel, en één heel laag wiel.
  Het vel van hun gezichten leek heelemaal strak te staan en voelde gloeiend-droog en hoe je het ook naar het water keerde, er streek geen aasje koelte overheen maar wel heerlijk koel zag het water eruit, donkerblauw met zilverflikkerende huppelsterretjes bestrooid. En de polderslooten stonden heel laag, de kanten zag je slibberig-bloot en den modder kon je ruiken. Heel vol zaten de glooiingen al met menschen toen ze kwamen, tot een heel eind verderop zag je witte jurken en roode gezichten en lange zwarte vaders en dikke bruine of groene moeders en achter de menschen op het sintelpad stonden de mannen met kersen en schreeuwden en de jongens holden om de karren en schopten het droge zwarte sintelgruis tegen de menschen aan en schreeuwden ook, maar zij-tweeën zaten aan weerskanten naast Vader. En ze keken naar het water, donkerblauw met springende zilveren pikkels en glijdende zilveren figuren en langs het water keken ze… de lantaars aan weerszijden kun je niet tellen, het zijn honderden, verweg gaan ze in het melkig-wazige verloren, maar hun rij zet onverbroken zich voort, uren en uren lang tot waar het kanaal in de zee overgaat. En ze keken naar de groote spoorbrug [de Hembrug] die een sprong over het water schijnt te maken en eronder-door keken ze en zagen overal menschen en kinderen in het hooiachtige gras dat zoo lekker zoet naar roggebrood ruikt.
  De menschen het dichtst bij hen, een vader en een moeder en twee kinderen kochten kersen, maar vader natuurlijk niet, ze hadden Sjabbos [sjabbat, de joodse rustdag] pas kersen gehad en het is niet eens zoo héél fatsoenlijk, maar bij elke kers, die ze de anderen in de mond zagen steken, voelden ze hoe warm en droog hun eigen monden van binnen waren. En hun wangen schenen dik te worden van de hitte, zoodat hun oogen een beetje werden dichtgeduwd en telkens ging er zoo’n kriebelige deining door je hoofd, en zilver en blauw vloeiden dooreen voor je oogen, en soms week het water heel ver van je af terug, de diepte in, en dan ineens rees het tot vlak bij je op –, dat leek natuurlijk allemaal maar zoo, en je voelde een schokje en zat overeind en alles was weer gewoon.
  Toen moesten ze opeens opschikken dichter naar Vader toe, want een dikke, boerinachtige juffrouw en twee dikke dochters kwamen naast hen neer in het hooiachtige gras en ze gaven een heelen wolk van hitte af, die ook naar eau-de-cologne rook. Om hun groene japonnen niet vuil te maken, zaten ze op hun witte onderrokken, ze hadden groote bellen van goud met bloedkoraal en dikke, vierdubbele snoeren. Ze hapten hun kersen niet ineens van de steel, maar ze zogen ze langzaam uit. Aan den overkant van het kanaal, in den polder, trilde de hitte als blauwe damp boven het goudgele mosterdzaad, geen blad bewoog aan de kleine boompjes, een heele rij en allemaal gelijk, achter het grijzig-zwarte sintelpad, alles was droog en stil en stom onder de blauwe hemel, onder de vlammende zon, behalve het zacht-stroomende donkerblauwe water.
  En terwijl dat allemaal zoo toeging en ze soms keken en soms niet keken, begon Vader ineens het losse hooi rondom van den grond bijeen te zamelen en over hun voeten te spreiden, al dikker, tot ze niets meer zagen van hun schoenen en korte stompen kous alleen er bovenuit nog staken.
  „Hier jongens, je had immers zoo’n last van warme voeten. Hooi is goed voor de voeten, hooi verkoelt!”
  Wat prettig, dat Vader juist nog op die gedachte kwam.
  Of het geholpen heeft weet ze eigenlijk niet – maar het moet geholpen hebben, als Vader zei dat het helpen zou – want juist toen Vader klaar was, is van de verste menschen aan de beide oevers af een fluisteren, een bewegen, als een zucht, een trilling, een lange golf naar ze toegekomen en al meer-en-meer sprongen er op stonden overeind en keken het glinsterende water af, en het kanaal dat door de spoorbrug in tweeën was gedeeld, werd één, want de brug draaide langzaam, langzaam tot hij dwars midden over het water op den eenen dikken pijler lag en een trein aan den overkant stond stil. Die menschen zouden dus ook den Keizer zien!
  In een glinstering over het blauw kwamen de schepen eraan en haar handen werden ijskoud en haar hart begon te bonzen; heel, heel langzaam voeren ze aan, zachtjes duwden ze het water op zij, en ze leken in randen van zilveren blaasjes en belletjes te varen.
  Heel voorop en heel alleen voer het grootste schip, het groote schip van den Keizer en toen zagen ze dus een oorlogschip en een oorlogschip is een wonderlijk gedrocht, heel anders dan de gewone schepen met balken en rijst die in de haven liggen, er steekt van alles uit, er zit van alles aan, en dit oorlogschip was zoo groot en zoo hoog, dat je je hoofd achterover moest houden om er tegen op te kijken en over het blauwe water ging het als een ding uit een droom langs je oogen. Hoog bovenop stonden menschen, heel klein en alle handen wezen: de Keizer, de hooge Officieren en de voorname Staatslieden. En er blonk iets dat zon ving, héél fel en dat iets was aan den Keizer. Dus zagen ze den Keizer, of eigenlijk den Keizer zagen ze niet, maar iets dat zon ving en blonk, héél fel, aan zijn lijf, – want een Keizer heeft een lijf en draagt kleeren.
  En zoo voeren de schepen voorbij, maar geen mensch keek naar de andere schepen, allemaal alleen naar dat eene, dat voor ging, het groote grijze, met hoog bovenop den Keizer en de hooge Officieren en de voorname Staatslieden.
  En toen zijn ze naar huis gegaan… en waarom heeft ze daar nu aan moeten denken? O ja! Omdat de meester zei, dat hooi niet geeft om je warme voeten te verkoelen, dat vader er niets van weet of dat zij vader verkeerd begreep.
  „Moeder… helpt hooi tegen warme voeten? Helpt het, als je hooi heenspreidt over je voeten om ze af te koelen?”
  Wat is dat nu? Gelooft moeder het ook niet? Neen, want Moeder zegt, ze zou denken dat de voeten er eerder nog warmer door worden.
  „Maar moeder… waarom deed Vader dan hooi over onze voeten, omdat ze zoo warm waren dien dag toen de Keizer voer door het Kanaal?”
  „Heeft Vader toen hooi over jullie voeten gedaan?”
  „Ja zeker, moeder, ja zeker!”
  Moeder staat even voor zich uit te denken.
  „Zat er toen naast jullie een dikke boerin?”
  „Ja, met twee dikke dochters. En ze hadden aan hun onderrokken prachtige kant en roode kralensnoeren met goud en er kwam een heele wolk warmte van ze af toen ze zitten gingen, die ook naar eau-de-cologne rook…”
  „Daarom deed Vader hooi over jullie schoenen.”
  „Om die boerin en die twee dochters?”
  „Ja, want ze keken telkens zoo… naar jullie schoenen… en jullie schoenen waren zoo stuk.”
  O… was het dat? Ze staat er een pooslang stok-stijf stil van te kijken. Hooi helpt dus toch niet voor warme voeten. Wat gelukkig, dat ze het maar niet tegen den meester volgehouden heeft!


De keizer is Wilhelm II van Duitsland.² Hij bracht in 1891 een driedaags staatsbezoek aan Amsterdam. Op 1 juli voer het keizerlijke gezelschap onder grote publieke belangstelling op het staatsjacht SS Hohenzollern³ vanuit IJmuiden door het Noordzeekanaal naar Amsterdam, waar het werd verwelkomd door koningin Wilhelmina en koningin-regentes Emma. Wilhelmina was toen 10 jaar, net zo oud als het meisje uit het verhaal, als Carolina.




1 Dampad 33 bestaat niet meer. Van het Dampad rest alleen een steegje.
2 Keizer Wilhelm zou in 1918 als balling naar Nederland komen. Hij nam zijn intrek in Huis Doorn op de Utrechtse Heuvelrug.
3 De SS Hohenzollern was een stoomjacht, geen tallship en ook geen oorlogsbodem.


Referenties
Carry van Bruggen, Het Huisje aan de Sloot, 1e druk 1921, p. 188-193.
Jacqueline Bel, Bloed en rozen; geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1900-1945, 2015, p. 482 en 629.
Jan Fontijn, Onrust; het leven van Jacob Israël de Haan, 1881-1924, 2015, p. 30.



» “Zijn lange jas was groen van ouderdom.”
» Als prinsen reden ze de dorpen door.
» index


Geplaatst op 25 augustus 2025, gewijzigd op 27 augustus 2025.

© de 5e Verdieping 2025