De West-Vlaamse plaatsnaam Brugge


Vorige week pakte de Volkskrant uit over Brugge, ooit de boom town van de Bourgondiërs. Aanleiding was de opening van de kunsthal BRUSK. Het artikel bevatte ook een stukje stadsgeschiedenis. Daarin werd gezegd dat Brugge zijn naam te danken heeft aan Scandinavische kooplieden. Dit naamkundige weetje was mogelijk ontleend aan Bart Van Loos bestseller De Bourgondiërs. Hij schrijft:

Als stadsnaam dook Brugge halverwege de negende eeuw voor het eerst op, waarna het uitgroeide tot het historische centrum van Vlaanderen. Door de komst van een graaf transformeerde deze nederzetting aan de oevers van de Reie tot een belangrijke halte voor rondreizende handelaars. Deze kooplui kwamen vaak uit het noorden, meerden hun boten af aan wat zij een bryggja (aanlegplaats) noemden en bezorgden zo de stadsnaam zijn Scandinavische wortels.¹ Met zijn ijzeren arm zou Boudewijn² niet alleen redelijk succesvol het hoofd bieden aan de bestormingen van minder handelslustige Noormannen, maar op een dag ook een beer die de omgeving van Brugge onveilig maakte over de kling jagen.

Zowel in het Etymologisch woordenboek van het Nederlands als in het standaardwerk De Vlaamse gemeentenamen wordt Brugge echter eenvoudigweg verklaard met ‘brug’.²
Brug over de Leie.
Volgens Wikipedia lag er al in de Romeinse tijd een brug op de plek waar de verbindingsweg tussen de castella van Oudenburg en Aardenburg de rivier kruiste.

• Middelnederlands brugge in het Glossarium Bernense (± 1240), als vertaling van Latijn pons.
Brugge in hedendaagse Nederlandse plaatsnamen als Baambrugge (‘banbrug’, d.w.z. brug v.d. ban(ne); 1394 Bambrugge) en Woubrugge (brug over de Woutwetering; 1575/1608 Woubrugghe).
Brugge heeft naamkundige pendanten in de Engelse plaatsnaam Bridge (dorp in Kent; 1086 Brige) en de Duitse plaatsnaam Brüggen (stadje dichtbij Roermond dat zijn naam dankt aan een brug over de rivier de Swalm; 1289 Brucge).


De plaatsnaam Brugge is al overgeleverd uit het midden van de 9e eeuw. De naam komt in de vormen BRYGGAS en BRYCCAS voor op munten die worden gedateerd in de periode 840-875. Muntslag veronderstelt een zekere importantie, dus Brugge moet er toen al een tijdje zijn geweest en zal al hebben bestaan toen Dorestad floreerde, de illustere handelsplaats die vlakbij het tegenwoordige Wijk bij Duurstede lag, aan de (Oude) Rijn. Bij Wijk bij Duurstede zijn de resten van lange houten steigers opgegraven.
Zou Brugge in zijn vroegmiddeleeuwse beginfase ook steigers hebben gehad? Of liet een schipper bij vloed zijn schip eenvoudig stranden? Dat kon, Brugge lag immers in de getijdenzone. In ieder geval zal er nog geen kade zijn geweest.

Midden 9e eeuw waren er volop Vikingen actief in het Vlaamse, Zeeuwse en Hollandse kunstgebied. Zij hielden zich vooral onledig met plundertochten, niet zozeer met handel, en het is nauwelijks voorstelbaar dat er voor de noorderlingen aanleiding was om een bestaande handelsplaats een eigen naam te geven, een exoniem dat vervolgens door de Bruggelingen geadopteerd werd. Eerder zou je verwachten dat buitenlandse handelaars het Oudnederlandse endoniem overnamen.

Om Brugge in één adem te noemen met Bryggen, de middeleeuwse handelskade van de Noorse havenstad Bergen met zijn grote rode houten pakhuizen, UNESCO-werelderfgoed, is verwarrend, want tussen de eerste vermelding van Brugge en het bestaan van Bryggen, Tyskebryggen, liggen grofweg vijf eeuwen. Tyskebryggen betekent letterlijk ‘de Duitse kade’. De Duitse Hanze bezat het handelsmonopolie op Bergen, waar o.a. stokvis (‘gewinddroogde’ kabeljauw) uit Noord-Noorwegen verhandeld werd. De Hanze had ook een vinger in de pap in Brugge; het had er een Kontor, een soort kamer van koophandel, dat de ogen en de oren en zo nodig ook de vuisten van het machtige handelsverbond was.


Dirk Glandorf




1 Oudnoords bryggja ‘landingsbrug, aanlegsteiger, kade, pier’. In het begin van de Vikingtijd, d.w.z. omstreeks de 9e eeuw, waren het Deens, Noors en Zweeds nog geen aparte talen. Ze zijn ontstaan uit het Oudnoords.
2 Graaf Boudewijn I († 879), alias Boudewijn met de IJzeren Arm, de stamvader v.h. Vlaamse gravenhuis. Hij was de schoonzoon van koning Karel de Kale († 877); onder diens gezag werden de eerste Brugse munten geslagen.
3 Nederlands brug is o.m. verwant met Duits Brücke (Middelhoogduits brücke, brucke, brügge, Oudhoogduits brugga) en Engels bridge (Oudengels brycg).


Referenties
Etymologisch woordenboek van het Nederlands (EWN) 1: A-E, 2003, lemma brug.
G. van Berkel & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen; herkomst en historie, 3e druk 2006, lemma’s Baambrugge en Woubrugge.
Frans Debrabandere e.a., De Vlaamse gemeentenamen; verklarend woordenboek, 2010, lemma Brugge.
Kluge Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, 25. Auflage 2011, lemma Brücke.
Manfred Niemeyer (red.), Deutsches Ortsnamenbuch, 2012, lemma Brüggen.
Bart Van Loo, De Bourgondiërs; aartsvaders van de Lage Landen, 2020, p. 72.
Anna Stibbe, ‘Beeld van een stad’, de Volkskrant, 20-05-2026.
Wikipedia, lemma Geschiedenis van Brugge.



» index


Geplaatst op 26 mei 2026.

© de 5e Verdieping 2026